Willibrorduslezing 2016 door Jacobine Geel

Het hoefde alleen maar gevonden te worden…

In de verhalen over Willibrord spelen waterbronnen en putten – zoals bijvoorbeeld die hier in Heiloo – een grote rol. In zijn ijver om het christendom in onze streken te verspreiden liep Willibrord regelmatig te hoop tegen deze symbolen bij uitstek van de Germaanse, en in zijn ogen dus heidense natuurverering. Hoewel het heel goed mogelijk is dat hij uitgerekend de put in Heiloo geslagen heeft, lijkt het aannemelijk dat ook menige bron door hem werd toegedekt, en menige put door hem gedempt. Om daarmee te onderstrepen dat alleen de door hem verkondigde Christus een bron van betekenis en leven is.

Dat de put hier in Heiloo in later eeuwen vanwege een Mariaverschijning door de katholieke kerk in de armen zou worden gesloten en zich kon ontwikkelen tot het Lourdes van de Lage Landen zou een ironische speling van het lot kunnen zijn. Maar kan in ieder geval worden gezien als een aanwijzing dat iedere tijd en samenleving de opdracht heeft om zichzelf opnieuw uit te vinden – wil het leven er niet uit wegvloeien.

Willibrordus lijkt dat laatste goed begrepen te hebben. En het is precies dit besef van de noodzaak om (van tijd tot tijd) te herbronnen dat ik hier vanavond centraal wil stellen. Want de drang tot herbronning lijkt niet alleen een wezenskenmerk van die geestgedreven reiziger van weleer, Willibrordus, maar is – vermoed ik - ook een belangrijke reden geweest om vorig jaar te starten met de traditie van de Willibrorduslezing.

Herbronning, herschepping, herademing. Een pas op de plaats maken. En misschien zelfs even een stap opzij doen, weg uit het roerige centrum om samen te komen in dit huis dat al oud is, maar dat mede door genoemd initiatief weer opnieuw van betekenis kan zijn voor de wereld buiten. Want hier bij elkaar zijn is geen doel op zichzelf – al is het beslist de moeite waard (!). Het moet ons opladen om morgen en maandag en in het leven van alledag weer aan te kunnen pakken. Maar dan misschien net een beetje anders dan we gisteren nog deden. Van harte welkom hier, in deze tussentijd.

Het hoefde alleen maar gevonden te worden. Dat is de titel die ik mijn verhaal van vanavond meegaf. Hij is ontleend aan een mij dierbaar gedicht van dichter en archeoloog Esther Jansma. Alles is nieuw heet het en gaat als volgt:

Wat zou gebeuren was er altijd al, volmaakt
gespeld door een beker die stukviel,
scherven waarin de afdrukken van duimen,
het rilschrift van naalddunne takjes staan.
Het is geen verhaal dat wij maakten maar iets
dat er was en er is in de sporen van greppels
en staanders en lang gedoofd houtvuur.
Het hoefde alleen maar gevonden te worden.
Iemand moest ernaar kijken en zeggen wat is het
dit is het, en daar was het, een huis met een haard-
plaats, mensen die daar zoals altijd en altijd
voor het eerst in het nu zichzelf zijn en zitten
met warme handen die een beker vasthouden
bij het vuur en ze praten en de tiktak van regen
is een cirkel geluid en het deert niet, de nacht
niet, de onzichtbare wolken, de stilte van alles
wat buiten in slaap is of wacht op de dag
zijn het dak en de wanden om het dak en de muren
van het huis dat al oud is maar nieuw
want opnieuw in het heden gevonden.

Herbronning, herschepping, me dunkt! Álles is nieuw. Niet omdat het er nog niet was, maar nieuw omdat wat er is telkens opnieuw en met nieuwe ogen moet worden gezien. De wereld die we aantreffen - de greppels, de scherven, de staanders – moet opnieuw tot leven worden gewekt, opnieuw worden toegeëigend. Er is geen schilder die de eerste streek verf zet op een leeg doek, neen. Er is iemand die iets aantreft - een scherf van een beker, sporen van greppels, resten verleden – die nieuwsgierig wordt, zich afvraagt, en die wat oud is nieuw maakt, nieuw leven inblaast door de kracht van de herinnering en met hulp van de verbeelding. Wat voorbij leek, van gisteren, kan zo - en alleen zo - in het heden worden hervonden.

Het hoefde alleen maar gevonden te worden.
Iemand moest ernaar kijken en zegen: wat is het?
Dit is het. En daar was het.

Dit herscheppen van het verleden lijkt speels, maar is niet enkel spel. Is niet alleen een vermakelijk en vrolijk makend tijdverdrijf, al is het dat ook - is er het plezier om de verbeelding die het verleden terugfluit en daar komt ze al aangelopen, kwispelend. En het verleden terugfluiten kan Esther Jansma als weinig anderen. Ze kan een stuk hout nemen, zwaar van ouderdom, het in haar hand wegen en zie, daar komt de houthakker van ooit ons al tegemoet gelopen. Spel. Maar het herscheppen van het verleden is voor alles ernst en van levensbelang.

Iemand moest ernaar kijken, dicht Jansma. Zoals we ons moeten kleden tegen de kou, zo noodzakelijk is het om af en toe met nieuwe ogen te kijken naar het leven dat we leiden, naar de liefde van ons leven, de wereld om ons heen, tradities, en ons af te vragen: wat is het? En al is geen enkel antwoord het laatste en definitief, van tijd tot tijd moeten we de moed hebben een antwoord te geven: dit is het. Dit is mijn leven, mijn liefde, dit zijn de keuzes die ik maak, de waarheid die ik omhels. Zoals het gedicht na deze regel ineens gaat swingen, ritme krijgt, zo geeft deze bevestiging het leven glans en kleur. Pas dan verschijnt er iets wat hier zonder nauwelijks mogelijk lijkt: gemeenschap.

Iemand moest ernaar kijken en zeggen wat is het
dit is het, en daar was het, een huis met een haard-
plaats, mensen die daar zoals altijd en altijd
voor het eerst in het nu zichzelf zijn en zitten
met warme handen die een beker vasthouden
bij het vuur en ze praten…

Die ring van mensen om het haardvuur is het kloppende hart van dit gedicht. De gemeenschap, dat is de belangrijkste opbrengst van de herschepping die hier plaatsvindt, de gloeiende oogst van de verbeeldingskracht. En die gemeenschap, en het samen vormen van zo´n gemeenschap is tegelijkertijd en ontegenzeggelijk de grootste opgave die ons buiten deze koepel wacht. Welke scherven moeten wij oppakken, welke staanders wij met nieuwe ogen bezien om die klus te klaren? Want natuurlijk hoeft het alleen maar gevonden te worden, maar het helpt wel als een vermoeden hebt van waar te zoeken…

Nederland is een land in verandering. Individualisering, informatisering en internationalisering gaven onze samenleving heel lang een positief gevoel van vooruitgang, verruiming van mogelijkheden, verbreding van horizon. Wow! Maar dat positieve gevoel lijkt aan een kentering onderhevig, lijkt om te slaan in de richting van een breed gedeeld gevoel van onbehagen. Misschien nog niet eens voor ieder van ons afzonderlijk, maar wel als de beleving van een collectief tekort. Zoals Paul Schnabel, voorheen directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau, eens zo treffend zei: ‘Met mij gaat het goed, maar met ons gaat het slecht’.

Wat daarbij zeker een rol speelt is een verlangen naar gemeenschap én het ontredderende besef dat we op allerlei niveaus niet goed meer lijken te weten waar die te vinden is. Wie ben ik, waar hoor ik bij, en van welke gemeenschap kan en wil ik deel uitmaken? Als gevolg van de individualisering, en door de veelheid aan culturen die in ons land naast en met elkaar leven is het steeds moeilijker geworden op die vragen een bevredigend antwoord te formuleren. De wereld is wel heel erg groot geworden, mijn buren zijn wel heel erg onbekend.

Maar het grijpt dieper. Niet alleen weten we die gemeenschap niet altijd zo goed meer te vinden, we lijken ook niet altijd meer te weten wat er in dat opzicht van ons gevraagd wordt. We hebben geleerd om vrij te zijn, vrij van bemoeizucht, vrij om onszelf te ontplooien en het leven naar eigen smaak en inzicht in te richten. En die vrijheid is een groot goed. Ze maakt onze werkelijkheid in veel opzichten uitnodigend en kansrijk. Maar wat we daarbij over het hoofd kunnen zien, is dat voor echte ontplooiing nog iets anders nodig is dan onbelemmerde bewegingsvrijheid en het ontbreken van betutteling. Voor echte ontplooiing is ook zorg nodig en een besef van verantwoordelijkheid voor elkaar. We zijn nu eenmaal niet allemaal, en ook lang niet altijd sterk en flexibel.

En zelfs wie beschikt over alle talent van de wereld is afhankelijk van factoren buiten zijn macht en invloed om dat talent te ontplooien. Die moet het hebben van eigen vastberadenheid, maar ook van hulp van anderen, van familie, vrienden, de samenleving. Gevoeligheid voor die kwetsbaarheid is niet meer zo vanzelfsprekend die zo leunt op eigen kracht als de onze. Niettemin is in mijn ogen precies de gevoeligheid voor eigen en andermans kwetsbaarheid een kenmerk van een samenleving die die naam verdient. Hebben we hier een staander te pakken?

Een tijdje geleden besteedde het dagblad Trouw aandacht aan het boek De kracht van Atlantis, van de Amerikaanse Ayn Rand. ‘Ik zweer’, verklaart de hoofdpersoon in dit boek, ‘dat ik nooit zal leven voor een ander mens. Noch een ander mens zal vragen voor mij te leven’. Net als voor veel denkers uit de klassieke oudheid lijkennaastenliefde en mededogen voor Ayn Rand een teken van zwakte. Een echt mens is zijn eigen meester. De joods-christelijke traditie draaide dit om. Echt mens is pas wie zich het lot van anderen aantrekt. Of zoals de joodse denker Emmanuel Levinas het verwoordde: ‘Nog voordat ik helemaal ‘ik’ kan zijn doet de ander al een appel op mij: “Kijk mij aan, dood mij niet”.

Dit gaat niet over medelijden, maar over mededogen. De bereidheid het eigen handelen af te stemmen op de noden en behoeften van anderen. In één woord: compassie. Een appel dat diepe sporen heeft getrokken in de Westerse ervaringsstructuur. Mens, waar ben je en waar is je broeder? Tot op de dag van vandaag wordt deze vraag nog altijd door velen gehoord als een vraag aan het eigen geweten.

Compassie als de fundamentele bereidheid om je te laten storen door het lot van de ander. Ook los van zijn godsdienstige wortels is deze houding in de afgelopen eeuwen ingeweven geraakt in de Westerse cultuur. En van links tot rechts zijn er ook vandaag de dag nog mensen die verbindingen zoeken en zich inzetten voor anderen, mensen die gehoor willen geven aan de roep om compassie. Niet altijd met grote woorden, maar heel vaak juist met kleine daden laten zij zien dat er een alternatief is voor angst, cynisme of onverschilligheid. Je herkent ze aan de bewuste en vaak vrijwillige inzet voor hun medemensen, voor hun buurt, dorp of stad, voor de school en de voetbalvereniging, het verpleeghuis, de bewonersvereniging, de kerk of de moskee.

Ze zijn nog altijd met velen, de mensen die zich door een ander willen laten storen, en vorm proberen te geven aan het goede leven, waarin persoonlijke groei en zorg voor de ander hand in hand gaan. Maar een duwtje in de rug kunnen ze goed gebruiken. Juist omdat onze samenleving een ontwikkeling doormaakt die kwetsbaarheid - in tal van gedaanten - weer steeds zichtbaarder maakt.

Die ontwikkeling laat zich heel goed illustreren aan de hand van de veranderingen in de zorg, en dan met name de ouderenzorg en de geestelijke gezondheidszorg. Langer zelfstandig blijven wonen, en zoveel mogelijk in de eigen omgeving oftewel ambulant de ondersteuning en behandeling ontvangen die nodig is. Er wordt een steeds groter beroep gedaan op onze zelfredzaamheid en eigen kracht, en voordat de professional in actie komt moet bij voorkeur het eigen netwerk aan de bak.

Natuurlijk biedt die ontwikkeling kansen. Bijvoorbeeld om dat begrip samenleving opnieuw te laden. Maar de keerzijde is dat wie geen netwerk hééft, of om wat voor reden dan ook niet in staat is om aan zijn naaste een zorgverlangen te ontlokken het zwaarder te verduren zal krijgen.

Beide risico´s zijn nadrukkelijk in beeld als het gaat om mensen die met de GGZ in aanraking komen. Wat zij meemaken, en op welke manier en hoe ingrijpend dit hun leven en het netwerk om hen heen verandert is met geen mogelijkheid op één noemer te brengen. Misschien delen zij het ontwrichtende gevoel dat er – zoals ik laatst heel beeldend las – mentaal bij hen is ingebroken. Maar of ze al na een korte behandeling weer kunnen gaan werken aan hun herstel, of dat ze jaren en soms zelfs een heel leven van behandeling en ondersteuning tegemoet zien, verschilt van mens tot mens. Waar de een de draad van leven en werk al snel weer kan oppakken, ziet een ander door jaren van ziekte en zorg zijn netwerk van familie en vrienden ondermijnd, en zijn toegang tot de arbeidsmarkt voorgoed geblokkeerd of minstens langdurig en ernstig belemmerd.

Wat daarbij niet helpt is dat wie ziek is in zijn hoofd er in onze samenleving nog altijd niet goed op staat. De associaties varieren van aanstellerij tot iets wat dicht in de buurt komt van misdadigheid. Dat is een forse bandbreedte, maar onderliggend is de gedachte dat psychische ziekten nadrukkelijk iets anders zijn dan somatische. Het ernstige gevolg hiervan is dat mensen met een psychose ook wezenlijk anders worden bejegend dan mensen met een blinde darmontsteking, mensen met autisme anders dan mensen met diabetes.

Ik ben ervan overtuigd dat er voor zeer velen in onze samenleving, en zeker ook voor wie met de ggz in aanraking komt, veel te winnen is bij behandeling in de eigen omgeving, bij het zoeken naar aansluiting bij wat iemand wel kan, in plaats van alleen aandacht te hebben voor waar het hapert. Het geloof in eigen kracht heeft ook voor hen veel aantrekkelijks en er is langs deze weg een hoop levenslust te winnen.

Maar daarvoor is wel nodig dat we ons realiseren dat deze beweging veel vraagt: van de client, van de zorgverlener, én van de samenleving. Laten we dan ook waken voor een eenzijdige en misschien zelfs gemakzuchtige nadruk op eigen kracht, zonder oog voor (tijdelijke) kwetsbaarheid, tekort en onmacht. Die eenzijdigheid zal participatie uiteindelijk niet bevorderen, maar belemmeren.

Maar laat ik terugkeren naar de kring om het haardvuur. De mensen, de bekers, het vuur – ze hoefden allen maar gevonden te worden. Juist de prikkelende lichtvoetigheid van deze gedachte inspireerde me tot de keuze voor juist deze titel: het hoefde alleen maar gevonden te worden. Tijdens het werken aan dit verhaal had ik steeds voor ogen hoe in het gedicht van Jansma uit bijna niets een wereld herschapen kan worden waar gemeenschap mogelijk is. Waar mensen bij elkaar zitten om een vuur, waar de tiktak van regen niet deert. Dat beeld, én het besef van de doenlijkheid ervan wilde ik u vanavond meegeven.

Want het ís doenlijk. De vraag is slechts wat ons zover kan krijgen. Overheidsbeleid alleen volstaat hier niet. U weet het vast nog wel, hoe de introductie van het begrip ´participatiesamenleving´ indertijd op veel scepsis stuitte. Een cartoon van Arend van Dam liet dit goed zien. We zien een vrouw met een bakfiets, waarin zowel haar ouders als haar kinderen zitten. Het beeld is duidelijk: de oudjes zijn niet blij, de kinderen niet, en moeder trapt zich het schompes. Iedereen is slachtoffer, niemand wordt er gelukkig van. Iedereen mee laten doen is geen aanlokkelijk perspectief als het van bovenaf en dwingend wordt opgelegd. Faciliteren en inspireren, dat lijkt een kansrijker route.

Natuurlijk verwacht ik wel íets van beleid, en van het publieke en politieke debat. Maar om als mensen echt bewogen te worden en in beweging te komen kunnen we niet zonder de trekkracht van een beeld, niet zonder aanstekelijke verhalen, niet zonder avonden zoals deze. Die voeden onze hoop dat het anders kan, maken ons weerbaar tegen cynisme en ontspannen onze angst.

De keuze voor compassie is een moedige keuze. Want het is nogal wat, je te laten storen door het lot van een ander, uit je eigen comfortabele werkelijkheid getrokken worden doordat je je laat raken door hoe het een ander vergaat. Wie niet alleen maar kijkt, maar echt durft te zien zet een stap voorbij de vrijblijvendheid en betreedt onbekend gebied. Dat vraagt moed. En moed moet worden geoefend.

Juist een samenleving als de onze, die zozeer leunt op de kracht van mensen, vraagt om een even krachtig tegenwicht. We draaien door, overvragen onszelf en elkaar als we niet af en toe stilstaan, een pas op de plaats en ons afvragen waar het ons nou eigenlijk allemaal om te doen is. Herscheppingsverhalen hebben we nodig, plaatsen van bezielende ontmoeting, die kunnen uitgroeien tot oefenplaatsen voor gemeenschapszin. Laat deze koepel zo´n plaats zijn, en de Willibrorduslezing zo´n moment: om op adem te komen, ons te laven aan verhalen, en ons te oefenen in de gedachte dat het anders kan, deze wereld en wijzelf. Dat we heel anders kunnen worden, heel heel anders. Dat we nieuw kunnen worden.